
Jurisprudentie
AZ0098
Datum uitspraak2006-10-11
Datum gepubliceerd2006-10-13
RechtsgebiedCiviel overig
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRechtbank Middelburg
Zaaknummers42565 HA ZA 04-158
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2006-10-13
RechtsgebiedCiviel overig
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRechtbank Middelburg
Zaaknummers42565 HA ZA 04-158
Statusgepubliceerd
Indicatie
''Thans resteert de beoordeling van het door Athos bijgebrachte bewijs van haar stelling dat ten aanzien van de door haar aan Brugse Vaart in rekening gebrachte uren en het in rekening gebrachte meerverbruik van materiaal sprake is van tussen partijen uitdrukkelijk overeengekomen meerwerk.''
Uitspraak
vonnis
RECHTBANK MIDDELBURG
Sector civiel recht
zaaknummer / rolnummer: 42565 / HA ZA 04-158
Vonnis van 11 oktober 2006
in de zaak van
de vennootschap naar Belgisch recht ATHOS B.V.B.A.,
gevestigd te Wondelgem, België,
eiseres,
procureur: mr. B.J. van de Wijnckel,
tegen
de naamloze vennootschap met beperkte aansprakelijkheid BRUGSE VAART N.V.,
gevestigd en kantoorhoudende te Oostburg, gemeente Sluis,
gedaagde,
procureur: mr. S.B.A. Lhachmi.
De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 31 augustus 2005
- het proces-verbaal van getuigenverhoor van 21 maart 2006
- de akte overlegging producties van de kant van Athos
- het proces-verbaal van getuigenverhoor van 31 augustus 2006
- de akte vermindering van eis.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De verdere beoordeling
2.1. Bij akte vermindering van eis – door Athos met toestemming van Brugse Vaart na afloop van het getuigenverhoor ter zitting van 31 augustus 2006 genomen – heeft Athos er-kend dat zij 497,08 m² heeft bepleisterd en niet de in rekening gebachte 534 m². Zij heeft haar vordering verminderd met een bedrag van € 1.830,89. Een en ander brengt met zich, dat beoordeling van de vraag of Athos het haar toegelaten bewijs van de stelling dat zij de door haar genoemde hoeveelheid vierkante meters daadwerkelijk had bepleisterd, achterwe-ge kan blijven.
2.2. Thans resteert de beoordeling van het door Athos bijgebrachte bewijs van haar stelling dat ten aanzien van de door haar aan Brugse Vaart in rekening gebrachte uren en het in rekening gebrachte meerverbruik van materiaal sprake is van tussen partijen uitdrukkelijk overeengekomen meerwerk. Athos heeft als getuigen doen horen haar zaakvoerder [getuige 1] en de architecten [getuige 2] en [getuige 3]. Bij akte heeft Athos vervolgens de door laatstgenoemde architect in zijn getuigenverklaring genoemde en aan (de procureur van) Athos ter beschikking gestelde stukken in het geding gebracht. Vervol-gens heeft Brugse Vaart in tegenverhoor haar directeur [getuige 4] en aannemer [getuige 5] doen horen.
2.3. Omtrent de vraag of meerwerk was overeengekomen heeft getuige [getuige 1] verklaard dat op minstens één van de (periodiek met de diverse (onder-)aannemers in het project club-house Brugse Vaart gehouden) werfvergaderingen – namelijk die op 5 juli 2001 – is gespro-ken over de omstandigheid dat het door Athos te bepleisteren metselwerk nog onvoldoende was afgewerkt en dat toen is afgesproken dat Athos de nog niet verrichte voorbereidings-werkzaamheden – als meerwerk tegen ter vergadering genoemde tarieven – op zich zou ne-men. Die afspraak is gemaakt in aanwezigheid, zo verklaarde [getuige 1], van de directeur van Brugse Vaart, en vervolgens in een werfverslag neergelegd; van de zijde van Brugse Vaart is tegen daarna nimmer bezwaar gemaakt tot het moment dat Athos om betaling van verricht meerwerk vroeg. Getuige [getuige 2] heeft verklaard dat in een werfvergadering waar hij bij was voor de gevelbepleistering meerprijzen zijn gevraagd in verband met het slechte metselwerk. Het ging daarbij om gebruik van meer materiaal en de inzet van meer uren. Ook getuige [getuige 3] heeft verklaard dat op een werfvergadering is gesproken over het feit dat als ten gevolge van tekortkomingen in de ruwbouw, met name in het metselwerk, meerwerk in het bepleisteren zou moeten worden verricht, dat meerwerk zou worden verre-kend. Uit de door Athos overgelegde stukken (waaronder een aantal werfverslagen) blijkt dat Athos diverse malen erop heeft gewezen dat de ruwbouw nog onvoldoende af was om tot bepleistering over te gaan, dat de aanvang van het bepleisteren meermalen in tijd is opge-schoven en dat uiteindelijk op de werfvergadering van 5 juli 2001 is afgesproken (in de be-woordingen van het werfverslag):
“Athos:
- Maandag 9 juli: start buitenpleister voorgevel.
- Waar nodig zal logro het metselwerk bijwerken voor het plaatsen van de bepleistering.
- verrekening meerwerken ten gevolge van het slechte metselwerk:
- Normaal materiaalverbruik: gemiddeld 26 kg/m²
- Normale plaatsingsduur: gemiddeld 40 m²/dag.”
Aldus staat vast dat door Athos op een werfvergadering in aanwezigheid van Brugse Vaart is gesteld en toegelicht dat en waarom meerwerk zou ontstaan, en voor welke prijs dat zou worden verricht. Niet blijkt is van enig weerwoord hierop van de kant van Brugse Vaart. Gelet op de omstandigheden waaronder dat meerwerk ontstond – het te bepleisteren metsel-werk was slecht, terwijl die bepleistering wel diende plaats te vinden – moet uit het zwijgen van Brugse Vaart worden afgeleid dat zij zich in hetgeen door Athos was aangegeven kon vinden. Aldus is meerwerk – voor de door Athos genoemde prijzen – overeengekomen in die zin dat Athos daar waar dat in verband met slecht metselwerk noodzakelijk was, meer-werk zou verrichten, zulks voor de door haar genoemde prijzen.
De verklaringen van de door Brugse Vaart voorgebrachte getuigen doen aan het vorenstaan-de geen afbreuk. In die verklaringen wordt vooral ingegaan op de vraag of het door Athos in rekening gebrachte meerwerk daadwerkelijk is verricht. Daarop ziet de bewijsopdracht evenwel niet. Omtrent de vraag of meerwerk is overeengekomen heeft alleen getuige [getuige 4] verklaard. Hij verklaarde dat hij met een medewerker van Athos heeft besproken dat wanneer een door hem te oneffen bevonden muur moest worden gepleisterd dat meerwerk zou opleveren. Voorts verklaarde hij dat gedurende de werkzaamheden nimmer over de prijs is gesproken en geen afspraak over meerwerk is gemaakt. Dat nimmer over de prijs zou zijn gesproken verhoudt zich niet met de hiervoor weergegeven passage uit het werfverslag van 5 juli 2001, bij welke werfvergadering [getuige 4] aanwezig was. Gelet op dat laatste en op het-geen uit de verklaringen van de door Athos voorgebrachte getuigen moet worden afgeleid, acht de rechtbank de enkele verklaring van [getuige 4] dat geen afspraak over meerwerk is ge-maakt ongeloofwaardig en gaat zij daaraan voorbij.
2.4. Het vorenoverwogene leidt tot het oordeel dat Athos in het haar toegelaten bewijs – voor zover thans nog aan de orde – is geslaagd. Vast staat dat tussen partijen meerwerk is overeengekomen; de precieze omvang ervan is daarbij niet tussen partijen vastgesteld. Nu evenwel bij gebreke van betwisting door Brugse Vaart vaststaat dat het in rekening gebrach-te meerwerk daadwerkelijk is verricht, en evenmin is gesteld dat onnodig (meer)werk is verricht, gaat de rechtbank ervan uit dat het verrichte en in rekening gebrachte meerwerk overeenkomt met het afgesproken meerwerk. Brugse Vaart zal het voor dat merkwerk in rekening gebrachte bedrag van € 4.402,59 (vermeerderd met rente zoals gevorderd) dienen te betalen. Athos heeft voorts vergoeding voor buitengerechtelijke kosten gevorderd. Zij heeft die kosten evenwel niet toegelicht, terwijl Brugse Vaart gemotiveerd heeft betwist dat Athos dergelijke kosten heeft gemaakt. Onder die omstandigheden dient de vordering op dit punt te worden afgewezen. Als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij zal Brugse Vaart worden veroordeeld in de kosten van dit geding.
3. De beslissing
De rechtbank
- veroordeelt Brugse Vaart tot betaling aan Athos van een bedrag van € 4.402,59, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 18 augustus 2001 tot aan de dag der algehele voldoening;
- veroordeelt Brugse Vaart in de kosten van dit geding, aan de zijde van Athos tot op heden begroot op € 800,-- aan griffierecht, € 672,70 aan overige verschotten (dagvaardingskosten en getuigentaxen) en € 2.026,50 aan salaris procureur;
- verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.M.J. van Dijk en in het openbaar uitgesproken op 11 oktober 2006.?